sailing-dulce.nl

Beschouwingen

Beschouwingen, gedichten, e.d.

Mijn studeerkamer in Andel
Mijn studeerkamer in Andel

Deze pagina is steeds in opbouw. Ik ga hier de beschouwende stukjes en gedichten plaatsen die ik tot dusver - 13-01-2007 - in het Logboek opnam. Het gaat over van alles en nog wat. Ik vind dat ze er eigenlijk niet thuishoren, ze onderbreken teveel het "lopend verhaal" van het Logboek, naar mijn smaak. En per slot is niet iedereen erin geinteresseerd.

Waarom ik die stukjes schrijf? En de gedichten? Deze hele site, trouwens? Behoefte aan zelfexpressie? Aan communicatie? IJdelheid? Laten zien hoeveel ik gelezen heb? Publicitaire kippendrift? Ongeremde eigenwijsheid? Exhibitionisme? Een gefnuikt ego? Existentiële eenzaamheid? Bestaanswalging? Allemaal waar... En voor de lol, natuurlijk. Trouwens, dacht je dat zonder de aanwezigheid van dergelijke dubieuze motieven kunst, wetenschap, politiek en literatuur überhaupt zouden bestaan?

Inhoudsopgave

 Motto             Indrukwekkend, hè? Het is behangsel Naar item 
 27-03-2011  Kunstmanifestatie BRAIN/Internal Affairs op YouTube. Naar item 
 05-04-2010  Mathilde. Over een liefde die begon in Parijs Naar item
 13-02-2010  De valse start van Prismant. Hoe de eerste directie van Prismant in 2000 ten val kwam Naar item
 03-02-2010

 De geschiedenis van een huis dat er niet meer is.

 Over Het Hof van Andel

Naar item 
 22-01-2010  De Roos van Paracelsus. Een parabel van  Jorge Luïs Borges (met een begin van commentaar) Naar item
 25-12-2009

 Over het magnetisme in "The Fluff" Een ontdekking

 vlak voor Kerstmis 2009

Naar item
 20-09-2009  Terug in Istanboel (gedicht) Naar item
 22-04-2009

 "Cherry picking" in het klimaatdebat. Over de kritiek op het rapport "De Staat van het Klimaat 2009"

Naar item
 12-04-2009

 "Piraten moeten onze droom niet verstoren" Over de kaping van het zeiljacht "Tanit" en de dood van zijn kapitein

Naar item
 05-03-2009

 "Primum non nocere", Dr. J.W. van den Blink

 Ingezonden brief Medisch Contact 10, 05-03-2009

Naar item
 08-02-2009

 Waar zijn de buitenaardse beschavingen?

 Over de Drake Equation en Fermi´s Paradox

Naar item
 17-12-2008  Een bijzondere wijze van begraven Naar item
 25-11-2008  Over piraten in de Golf van Aden Naar item
 24-11-2008

 Mijn "werkprogramma" van 5 raadselachtige zaken

 Piekeren over het wereldraadsel

Naar item
 26-10-2008  Darwinisme in de gezondheidszorg Naar item
 02-04-2008  De Zuilen van Hercules passeren Naar item
 20-03-2008  Ik bedoelde wat anders te vragen (gedicht) Naar item
 04-03-2008  Wat staat ons te wachten? Naar item
 23-02-2008  Is de mens de oorzaak van opwarming? Naar item
 29-01-2008  Klein In Memoriam voor Kees Naar item
 06-01-2008  Zonder illusies ben je nog niet gek Naar item
 25-12-2007  Koffie na de borrel (gedicht) Naar item 
 19-12-2007  Abrupte klimaatverandering (2) Naar item 
 08-12-2007  Bij de dood van André Gorz Naar item
 03-12-2007  Over de boeken van Bjorn Lomborg Naar item
 24-11-2007  Wat kun je zien in ijsboorkernen? Naar item 
 06-11-2007  Meia Praia (gedicht) Naar item 
 27-07-2007  Zeldzame aarde Naar item 
 19-05-2007  De kathedraalboom
 De kathedraalboom gevonden
 De kathedraalboom verloren
 De kathedraalboom in 1925
 De foute kathedraalboom gevonden
 Het is een Japanse Wolmispel!
 Mooie kathedraalboom in Alicante 
Naar item
Naar item
Naar item
Naar item

Naar item
Naar item
Naar item
 13-04-2007   Ani Karnasih, 1925 - 2007 Naar item
 24-03-2007  Ben ik cynisch geworden? Naar item
 10-02-2007  Madame Sabatier  Naar item 
 06-02-2007   Infelice (3)  Naar item 
 25-01-2007  Bij de dood van Ryszard Kapuscinski  Naar item 
 18-01-2007  Beveiliging bij onweer Naar item
 04-01-2007  Abrupte klimaatverandering (1) Naar item 
 03-01-2007  Het warmste jaar sedert 1706 Naar item 
 31-12-2006  Het drama van de Welsh Dragon
 Naschrift 12-12-2007
Naar item
Naar item
 30-12-2006  Infelice (2) Naar item 
 29-12-2006

 Leven is niet uniek (Corot satelliet)

 Corot ontdekt superzware exo-planeet

Naar item

Naar item 

 28-12-2006  Infelice (1) Naar item 
 13-12-2006

 De AOW-opbouw en het Briefadres
 De strijd om een briefadres (vervolg 1)
 De strijd om een briefadres (vervolg 2)

 De strijd om een briefadres verloren (vervolg 3)

 Artikel over de strijd rond het briefadres

Naar item 
Naar item
Naar item

Naar item

Naar item

 10-12-2006  Sandra R. (naam gewijzigd) Naar item 
 18-11-2006  Leven is onvermijdelijk Naar item 
 11-11-2006  Robinson Jeffers Naar item 
 22-10-2006  Een Guppy 13 Naar item 
 20-10-2006  Bas Jan Ader Naar item 

 

Indrukwekkend hè? Het is behangsel

Indrukwekkend, hè? 't Is behangsel
Indrukwekkend, hè? 't Is behangsel

Motto (13-01-2007)

In deze rubriek geldt een ander motto dan op de rest van de website. Het noodt tot bescheidenheid. Het is verwoord in een cartoon die ik ooit in het begin van de jaren '60 uit het toenmalig geïllustreerd weekblad "Sjors en Sjimmie" knipte. Ik lijstte het in en sedert 1965, toen ik in de Croeselaan in Utrecht op kamers ging wonen om Geneeskunde te studeren, heeft het naast mijn boekenkast gehangen. Nu hangt het in mijn bibliotheek. Vanavond haalde ik het voorzichtig uit het lijstje waar het ruim 40 jaar in zat, om het te scannen en op de website te zetten. Het viel bijna uit elkaar.  "Indrukwekkend, hè? 't Is behangsel" Zo is het! Ik neem het niet mee aan boord op wereldreis maar het is in mijn hoofd en het staat - nu - op deze website.
                                                              Terug naar boven

Kunstmanifestatie BRAIN/Internal Affairs op YouTube

Filmpje van de opening van de manifestatie op 22 augustus 1992 + NOS-Journaal van die dag

 

27-03-2011

 

Bij het uitzoeken van een doos oude video's en DVD-schijfjes vond ik van de week de opnames terug, die in 1992 gemaakt werden bij de opening van de kunstmanifestatie BRAIN/Internal Affairs. De manifestatie over hersenen en kunst die in de nazomer van dat jaar plaatsvond in het oude, leegstaande gebouw van het Beatrixziekenhuis in Gorinchem, voordat het voorgoed gesloopt zou worden. Een intensief gebeuren van zes weken dat bestond uit een expositie van 40 kunstenaars die het gebouw - alle muren blauw geschilderd tot hersenhoogte - hadden veranderd in een soort hersenspeeltuin, met verder een lezingencyclus en een symposium, een concertenserie en een filmfestival. Onvergetelijk! Ik noem het vaak het mooiste dat ik in mijn leven georganiseerd heb. Bovendien kwamen Ans en ik elkaar daar voor 't eerst tegen. Bas hielp me gisteravond om een deel van het materiaal, met ondermeer de uitzending van het NOS-Journaal op zaterdagavond 22 augustus 1992, op YouTube te zetten (zie hiernaast) Je ziet ondermeer Minister van WVC Hedy d'Ancona bij de opening en hoe een bijna twintig jaar jongere, zeer vermoeide Zijlstra, hevig rokend en nog lang geen schipper, zijn wonderlijke kermis- en beestenspul aanbeveelt. En vele anderen die ook allemaal twintig jaar ouder zijn geworden.

 

Terug naar boven

Mathilde

Hotel des Grands Hommes op het Place du Panthéon, Parijs 1928. In 1969 zag het er nog zo uit.
Hotel des Grands Hommes op het Place du Panthéon, Parijs 1928. In 1969 zag het er nog zo uit.

Over een liefde die begon in Parijs

 

06-04-2010

 

Vannacht lichten de beelden geleidelijk weer op op het innerlijk beeldscherm van mijn geheugen. Het was vroeg in januari 1969, dat studiebezoek van een tiental Utrechtse studenten aan Parijs waarover ik eergisteren schreef naar aanleiding van het overlijden van Rudy Kousbroek. Het was georganiseerd en voorbereid door mijn mede USF-bestuurder Frans Altena, samen met een studente psychologie, Til D. die vloeiend Frans sprak en die ik altijd Mathilde noemde vanwege het gelijknamige lied van Jacques Brel. Het was de bedoeling dat wij - revolutionairen in de dop - van alles leerden over de meirevolte van een jaar eerder. Dus toerden niet alleen langs Rudy Kousbroek en verslaggever Bob Groen, die het hadden meegemaakt, maar ook langs bekende lokaties van de revolte zoals de Sorbonne, het Odéon Theater en het studenten wooncomplex in Nanterre, waar de revolte begon die later zelfs president Charles de Gaulle naar zijn troepen in Duitsland deed reizen om zich van hun steun te verzekeren. Een revolte die begon als een protestactie van de mannelijke studenten omdat gemengd wonen op hun wooncomplex niet toegestaan was. We bezochten een aantal van die studentenleiders aan de universiteit en in het Quartier Latin, waar de fameuze straatgevechten op de barricades zich iedere nacht van die meimaand hadden afgespeeld. Alles gistte nog, het was immers allemaal niet meer dan een halfjaar geleden. Om de smaak te pakken te krijgen namen we zelfs deel aan een demonstratie van de communistische vakbond CGT en liepen mee vanaf de Place de la Republique langs de Bastille. Het gaf ons uiteraard een nogal authentieke indruk van wat massa´s wel niet vermochten.

 

We logeerden in het Hotel des Grands Hommes op het Place du Panthéon. Tegenwoordig een 3-sterren hotel maar toen een schamel en zelfs gevaarlijk labyrinth van smalle trappen, kronkelgangen en onooglijke kamertjes, vergeven van de kakkerlakken. Het hotel verkreeg enige bekendheid doordat hier een belangrijke

gebeurtenis uit de surrealistische beweging in de kunst en de letteren plaats had. In de lente van 1919 vonden de surrealisten André Breton en Philippe Soupault er de "écriture automatique" uit en luidden met het schrijven van "Les Champs Magnétiques" de geboorte van het surrealisme in. Een kleine plaquette aan de gevel van het hotel getuigt daar nog van (zie hiernaast)

Het was ontzettend koud, die januarimaand in het Parijs van 1969, het vroor dat het kraakte. Dat belette Mathilde en mij niet om er iedere nacht samen op uit trekken en tot aan het

kille ochtendgloren samen door de straten en langs de kunstenaarskroegen van het Quartier Latin te zwerven. Sedert enige maanden had ik een relatie met de jongere zus van collega Frans. Van de kou had ik helemaal geen last want ik werd daar in Parijs smoorverliefd op Mathilde. Mathilde sprak vloeiend Frans, dat was de reden dat zij bij de voorbereiding van de studiereis betrokken was. Ik keek erg tegen haar op, zij had een aantal jaren in Straatsburg gestudeerd en daar een relatie met een Saoedische prins gehad die ze in onze steeds vertrouwelijker wordende gesprekken verketterde. Wat me bovenal ontzag inboezemde was echter dat ze met mannen naar bed ging. Toen was dat nog niet zo gebruikelijk als nu, met de studentes die ik kende kwam je niet verder dan zoenen en voelen. Ik vernam het van collega Frans, die me voor haar waarschuwde. Hij was namelijk vooraf met haar naar Parijs was geweest om ons programma samen te stellen. En naar bed met haar. Tja, zoals ik zei, het maakte haar voor mij alleen maar interessanter. De warmte van onze prille verliefdheid verjoeg de snijdende kou in de stad maar het bleef toch onverhoopt platonisch. Iets zei me dat ik het met dit meisje voorzichtig aan moest pakken. Terug in Utrecht duurde het echter niet lang toen ik bij haar langsging op haar kamertje - een pijpenlaatje boven de voordeur - in de Prins Hendrikstraat, tegenover de mortuariumuitgang van het toenmalige Sint Antoniusziekenhuis. Peinzend zag ik dagelijks door het raam de lijkwagens aan- en afrijden. Haar eenpersoonsbed bood ampel ruimte voor onze erotische verkenningen, waarbij ze me veel leerde dat ik nog niet wist. Mijn beheersing van de Franse taal steeg eveneens met sprongen. Ze leerde me ook houden van het Franse chanson, van Jacques Brel en anderen. Ik maakte de zus van mijn bestuurscollega Frans natuurlijk doodongelukkig, maar het was niet tegen te houden.

 

Onze verhouding duurde twee jaar. Mathilde was klein van stuk met...eh, nu ja...mooie, welgeschapen borsten. Ze had een klein rond gezicht met lichtbruin, halflang haar, een kleine neus en smalle lippen waarop meestal een wat verbeten trek lag. Anders dan de andere studentes die ik kende, droeg ze rokjes, stifte haar lippen en maakte zich op. We sliepen beurtelings een week bij haar en een week op mijn kamer in het IBB-studentecomplex. Haar ouders woonden in Wezep in een bosperceel. Ze hadden een soort huisjesmanie. Behalve hun woning stonden er op het perceel nog twee houten huisjes, waarin haar vader het grootste deel van zijn omvangrijke boekencollectie bewaarde. In die periode kwam er nog een derde huisje bij, een theekoepeltje. Ik probeerde wekenlang in zo´n huisje voor mijn kandidaatsexamen geneeskunde te studeren, maar verzeilde strijk en zet verzonken in een of ander boek dat ik snel wegmoffelde als Mathilde of haar moeder de ogenschijnlijk hard zwoegende student van koffie kwamen voorzien. Ik slaagde desondanks op wondere wijze toch voor mijn kandidaats. Het gezin had ook een huisje in de Ardennen, in de buurt van Stavelot en een ander, een bouwval die tot een fraai landhuisje werd omgebouwd in de Provence, niet ver van de Mont Ventoux. Regelmatig brachten we er kortere en langere vakanties door.

 

Na mijn periode in het USF-bestuur werkte ik een paar jaar mee aan het Utrechtse studentenweekblad "Trophonios" dat toen geleid werd door Leo Damen. Ondermeer schreven Henk Bezemer, de latere Zeilen-redacteur, en ik zwaar leesbare en niet bijzonder heldere artikelen over marxistische theorie, die ik later nooit meer heb durven herlezen. Mathilde droeg bij aan de administratie van het blad maar al die radikaliteit van ons stond ver van haar af. Ik herinner me dat ze sceptisch meedeed aan de bezetting van het Academiegebouw op het Utrechtse Domplein, die we in juni 1969 vanuit de USF organiseerden. Een jaar na de Parijse meirevolte, die ons verlaat samen had gebracht. Van die bezetting bezit ik één foto waar ze opstaat met haar bleke gezichtje, een smalende trek om de mond. Ze zit onder het spreekgestoelte, de katheder van waaraf wij studentenleiders de massa bezettende studenten toespraken. Wat we er leerden? Vooral vergaderen en vergaderingen de (goede) kant opleiden, een vaardigheid die ons later in het polderende Nederland goed van pas kwam. Al mijn andere foto´s waar ze opstond wist ze van woede te verscheuren toen ik de verhouding na twee jaar beëindigde. Niet omdat ik verliefd op een ander werd, zoals meestal het geval is, maar omdat haar bezitterige natuur me benauwde en beklemde. Jaren daarna sprak ik eens een latere minnaar van Mathilde; ze had geen goed woord voor mij meer over en verketterde me, zei hij, zonder twijfel op dezelfde wijze als ze bij mij destijds die Saoedische prins verketterde. Weer jaren later kwam ik hem nog eens tegen, het was uit met Mathilde en hij werd nu ook verketterd. Het is nu allemaal veertig jaar geleden. Zou Mathilde ooit gelukkig zijn geworden? Geen idee, ik heb haar nooit meer teruggezien en ik geloof ook niet dat ze dat op prijs zou stellen. Het is natuurlijk nergens voor nodig, maar soms vraag je je af wat er van iemand geworden is.

 

Ach, toch, tot slot natuurlijk de tekst en een vertaling van dat indringende chanson "Mathilde" van Jacques Brel, dat nog altijd - hoewel het niet over haar gaat -  Til D. voor mijn geestesoog weet op te roepen. Daaronder in het volgende blokje een videoregistratie van JeTube waarin Brel het lied live zingt.

 

Ma mère voici le temps venu
D'aller prier pour mon salut
Mathilde est revenue
Bougnat tu peux garder ton vin
Ce soir je boirai mon chagrin
Mathilde est revenue
Toi la servante toi la Maria
Vaudrait peut-être mieux changer nos draps
Mathilde est revenue
Mes amis ne me laissez pas
Ce soir je repars au combat
Maudite Mathilde puisque te voilá

Mon coeur mon cueur ne t'emballe pas
Fais comme si tu ne savais pas
Que la Mathilde est revenue
Mon coeur arrête de repeter
Qu'elle est plus belle qu'avant l'été
La Mathilde qui est revenue
Mon coeur arrête de bringuebaler
Souviens-toi qu'elle t'a déchiré
La Mathilde qui est revenue
Mes amis ne me laissez pas non
Dites-moi dites-moi qu'il ne faut pas
Maudite Mathilde puisque te voilá

Et vous mes mains restez tranquilles
C'est un chien qui nous revient de la ville
Mathilde est revenue
Et vous mes mains ne frappez pas
Tout ça ne vous regarde pas
Mathilde est revenue
Et vous mes mains ne tremblez plus
Souvenez-vous quand je vous pleurais dessus
Mathilde est revenue
Vous mes mains ne vous ouvrez pas
Vous mes bras ne vous tendez pas
Sacre Mathilde puisque te voilá

Ma mère arête tes prières
Ton Jacques retourne en enfer
Mathilde m'est revenue
Bougnat apporte-nous du vin
Celui des noces et des festins
Mathilde m'est revenue
Toi la servante toi la Maria
Va tendre mon grand lit de draps
Mathilde m'est revenue
Amis ne comptez plus sur moi
Je crache au ciel encore une fois
Ma belle Mathilde puisque te voilá  te voilá

Moeder, het is tijd om voor me te bidden.

Mathilde is terug.

Je kunt je wijn houden, kroegbaas,

want vanavond drink ik mijn ver­driet op.

Mathilde is terug.

Het is misschien beter dat jij, meid Maria,

het bed verschoont, want Mathilde is terug.

Vrienden, sta me bij.

Vanavond treed ik weer in het strijdperk,

omdat je er weer bent, verdomde Mathil­de.

 

M'n hart, sla niet op hol,

doe al­sof je niet weet dat Mathilde terug is.

M'n hart, hou op met te herhalen

dat ze nog mooier is dan vóór de zomer.

Mathilde, die terug is.

M'n hart, hou op met kloppen,

denk eraan dat ze je ver­scheurd heeft.

Mathilde, die terug is.

Vrien­den, laat me niet alleen,

zeg me dat ik het niet moet doen,

nu je er bent, verdomde Mathilde.

 

En m'n handen hier, hou je stil.

Het is een weggelopen hond die terugkomt.

Mathilde is terug.

M'n handen hier, sla niet.

Het gaat je allemaal niks aan.

Mathilde is terug.

M'n handen, tril niet meer

Denk eraan, als mijn tranen erop vallen,

dat Ma­thilde terug is.

M'n handen, open je niet.

Armen, strek je niet uit.

Verdomde Mathilde. Omdat je er bent.

 

Moeder, hou op met bid­den.

Je Jacques gaat naar de hel terug.

Mathilde is bij me terug.

Kroegbaas, breng ons wijn,

die van de bruiloften en de feesten.

Mathilde is bij me terug.

Jij serveerster, jij Maria,

leg lakens op mijn grote bed,

Mathilde is bij me terug.

Vrienden, reken niet meer op mij.

Ik spuw nog één keer naar de hemel,

omdat ze terug is, m'n mooie Mathilde.

 

Terug naar boven

Jacques Brel zingt het chanson Mathilde op JijBuis

Op JijTube vind je alles. Hier vertolkt Jacques Brel zijn chanson "Mathilde" De vertaling die meeloopt is wat anders dan die hierboven staat.

De valse start van Prismant

Op 1 oktober 1999 werd ik directeur van het NZi, dat drie maanden later met de SIG fuseerde tot Prismant
Op 1 oktober 1999 werd ik directeur van het NZi, dat drie maanden later met de SIG fuseerde tot Prismant

Hoe de eerste directie van Prismant in 2000 ten val kwam

 

13-02-2010

 

Gisteren kwam het bericht dat Prismant ("Hét kennis- en expertisecentrum in het hart van de zorg") op de fles is. Het verlies over 2009 bedroeg liefst 3 miljoen euro. Er is surséance van betaling aangevraagd. Ik veronderstel dat die aanvraag gedaan is door Guus van Montfort, de huidige directeur van Prismant én de vroegere directeur van het NZi. Tussen zijn huidige en vroegere aanstelling ligt een periode van een jaar of acht. In die tijd is het dus goed misgegaan. Het doet me verdriet. Maar alles vergaat. Reden om eens terug te kijken op de tijd dat ik betrokken was bij de oprichting van dat mooie instituut dat we eind 1999 "Prismant" doopten.

 

Het jaar 1999 was een gedenkwaardig jaar in de Gorcumse gezondheidszorg. Na vijf jaren van achtereenvolgende fusies was per 1 januari 1999 de Rivas Zorggroep opgericht, het eerste transmurale zorgconcern in Nederland waarin het lokale ziekenhuis, twee verpleeghuizen, vijf verzorgingshuizen en de regionale organisatie voor thuiszorg en maatschappelijke dienstverlening opgingen in één bestuurlijke organisatie. Een verticaal verband, zoals het heette, waarmee we beoogden de schotten in de organisatie en de financiering van de zorg te doorbreken. Om daarmee een betere én goedkopere patiëntenzorg te kunnen bieden. Een groot deel van dat succesvolle fusietraject is beschreven door Robbert Huijsman en Lucie Boonekamp in hun boek "Bouwen aan een transmuraal zorgconcern" (De Tijdstroom, 1998)

 

Ik werd de eerste directievoorzitter van het nieuwe zorgconcern met ruim 3000 medewerkers en ik herinner me goed dat ik me dat voorjaar afvroeg wat ik verder met mijn werkzame leven zou doen. Na meer dan twaalf succesvolle jaren in Gorcum had ik het gevoel dat er iets anders moest volgen. Op dit hoogtepunt van mijn loopbaan, ik was 52 jaar, zou ik nog één keer iets anders willen doen. Per slot kun je beter op je top weggaan. Maar wat? Ik herinner dat ik er een aantal keren uitvoerig over sprak, zittend op een bankje in de rozentuin voor het ziekenhuis (dat rosarium is er nu niet meer) met Harry Juch, een adviseur die toen bij Deloitte & Touche werkte (en die samen met Chris Nas ook een boekje schreef over wat toen in den lande "het Gorcumse model" werd genoemd: "Ontschotten in Gorinchem", 1999, Deloitte & Touche) Maar ik kwam er niet uit. Existentiële aarzeling op een kruispunt in je leven. Had ik toen geweten dat ik een jaar later na een mislukt avontuur op straat zou staan!

 

In die periode van twijfel en van zoeken kwam Guus van Montfort bij me langs. Het zal in april of mei 1999 geweest zijn. Guus was een paar eerder maanden vertrokken als langjarige directeur van het NZi (Nationaal Ziekenhuisinstituut) te Utrecht om toe te treden tot de top van het zorgverzekeringsconcern Achmea. Hij viel met de deur in huis: zou ik zijn opvolger willen worden bij het NZi? Een onderzoeksinstituut, daar had ik nog nooit aan gedacht. Later zou ik in een interview met - ik meen - het personeelsblad van het NZi zeggen dat het me toen verging alsof je op school al jaren in dezelfde klassen zit met een meisje, je ging altijd tegelijk met haar over naar de volgende klas zonder dat ze je ooit opviel. En plotseling gingen door welke reden dan ook je ogen open en zag je opeens hoe ongelooflijk mooi ze was. Het NZi dus. Er kwam een lange reeks gesprekken, met de Raad van Commissarissen, met de ondernemingsraad, het managementeam en met een dure adviseur van het prestigieuze adviesbureau GITP, Joost van Hamel. Ik werd steeds enthousiaster, vooral toen me bleek dat men het NZi wilde fuseren met de SIG (Stichting Informatie Gezondheidszorg), eveneens te Utrecht gevestigd. Dat leek me een geweldig plan: een fusie van een van de meest gerenommeerde onderzoeksinstituten in de zorg met de grootste database van diezelfde zorg! Het was altijd de droom van Guus geweest. Dat fusieproces werd begeleid door Van Hamel en behalve met hem sprak ik dus ook uitvoerig met de Raad van Toezicht van de SIG, die als voorzitter Sape Braaksma had, een collega-ziekenhuis directeur van me (in Zwolle) en die ik wel kende. Ondermeer van een studiereis naar Scandinavië omstreeks 1990.

 

In mijn enthousiasme negeerde ik twee dingen. NZi en SIG waren al jaren grote concurrenten van elkaar, want het NZi had ook een belangrijke informatiepoot. Ze konden elkaar niet luchten of zien en kenden een sterk verschillende organisatiecultuur. En in de tweede plaats - Van Hamel vertelde me dat ietwat besmuikt - had de RvT van de SIG zojuist, tegen zijn advies en buiten het NZi om, de interim-directeur van de SIG een vaste aanstelling gegeven. Dat was Atze Sytsma, een volledige outsider in de gezondheidszorg en ook voor mij een onbekende. Vreemd, als je je realiseert dat er in een fusieorganisatie van ongeveer 250 mensen voor twee directeuren nu eenmaal onvoldoende werk is en als je nota bene twee vacatures hebt... Het had een waarschuwing voor me moeten zijn! Het is me nog steeds een raadsel hoe Braaksma c.s. dat hebben kunnen doen. Maar in mijn enthousiasme sloeg ik het innerlijke stemmetje in de wind. Dat was vragen om moeilijkheden. Die kwamen dan ook.

 

Op 1 oktober 1999 werd ik de laatste directeur van het NZi. Mijn collega Sytsma van de fusiepartner SIG bleek helaas in het geheel geen organisatietalent te bezitten. Dat zeg je niet zo gauw van iemand. Maar geloof me, hij kon het écht niet. Bovendien kende hij de zorgwereld niet en maakte pijnlijke blunders in gesprekken met potentiële opdrachtgevers. Opdrachtacquisitie lukte ook niet want hij kende niemand. We werkten onder de hoge druk van de naderende fusiedatum hard om de komende fusie gestalte te geven, samen met de managementeams en een kerngroep van sleutelfiguren uit beide organisaties. De naam Prismant werd bedacht tijdens een sessie met een grote groep medewerkers van beide kanten. (Prismant = "hij die prismeert", dat wil zeggen die met behulp van een prisma iets - het licht - ontleedt in zijn samenstellende delen)

 

Vrij snel werden we het eens over de nieuwe organisatiestructuur, maar het moeilijkste probleem was - als altijd - de bemensing. De "poppetjes", zoals dat altijd genoemd wordt en waarvan er - eveneens als altijd - teveel waren. Meer kandidaten dan beschikbare functies.In een sfeer waarin men elkaar als water en vuur beschouwde de meest moeilijke kwestie. Vanuit beide organisaties keek men ons beiden intens en vol achterdocht op de vingers. Tot op de dag van vandaag herinner ik me hoe Sytsma en ik de dag voor Kerstmis 1999 na uren van discussie de knoop doorhakten. Dat was op mijn kamer in het vroegere Ziekenhuiscentrum aan de Oudlaan in Utrecht, waar het NZi gehuisvest was. De opzet noteerde ik op het electronische whiteboard aan de muur, dat ik van mijn voorganger Guus geërfd had. Ik maakte er twee kopieën van en gaf Atze er één van. Ik herinner me haarscherp hoe ik Atze opgelucht op de rug sloeg en zei "Atze, dit is de belangrijkste slag die we moesten maken, nu kan het niet meer verkeerd gaan!" Mijn eigen kopie van die afspraak heb ik nog steeds in mijn bezit. Hij zit ergens in een doos in de opslag van onze inboedel. 

 

 

Het veel te dure gebouw dat Prismant liet bouwen in de polder Papendorp bij Utrecht

Na de feestdagen - de fusie was inmiddels een feit - ontkende Sytsma tot mijn volledige verbijstering het bestaan van de afspraak. Ik toonde hem de kopie maar hij beweerde die niet te kennen. Ook over andere zaken waren we het niet eens, bijvoorbeeld de huisvestingskwestie. Sytsma opteerde, gesteund door RvT-voorzitter Braaksma, voor nieuwbouw. Ik vreesde dat het een molensteen om onze nek zou worden en pleitte voor een flexibeler en voorzichtiger koers. De SIG zat immers in een mooi en groot voormalig bankgebouw op de Maliebaan en dicht in de buurt waren mogelijkheden genoeg om voldoende aanvullende kantoorruimte te huren. De impasse die volgde duurde tot begin maart. De beide organisaties, de ondernemingsraden en alle anderen zaten alsmaar te wachten op een machteloze want diep verdeelde directie. Het kon niet zo voortduren.

In die weken erna bleek me dat hij toezeggingen had gedaan waar ik niets van afwist. Toezeggingen aan SIG-medewerkers voor sleutelfuncties binnen de nieuwe Prismant-organisatie. Anders dan ons accoord van vlak voor Kerstmis. Toen maakte ik mijn tweede fout (de eerste was dat ik mijn innerlijke waarschuwing negeerde): ik was het zat en zei nogal plompverloren mijn vertrouwen in Sytsma op en meldde dat bij Braaksma die toen juist op vakantie was. Dat was erg stom van me. Eén van de lessen in de omgang met een RvT luidt: "No surprises!" Je moet ze ruimte laten en niet voor het blok zetten. Ik had de impasse gewoon aan de RvT moeten voorleggen, maar een volledige vertrouwensbreuk geeft ze weinig keus meer. Begrijpelijk dat Braaksma kwaad was. Niettemin schakelde hij Van Hamel in om de kwestie op te lossen.

 

Van Hamel riep ons bij zich en onder leiding van zijn GITP-collega Mieke Bello (later bekend geworden als soulmate van Pim Fortuyn) hadden we een aantal sessies in het GITP-kantoor. Bello pakte de zaak keihard aan met een soort confrontatiemethode maar wij gaven geen krimp. Ik herinner me dat ik over de outsider Sytsma zei "Binnen de instelling hoeft hij niks en buiten de instelling kan hij niks" Niet erg zachtzinnig, wel duidelijk en feitelijk. Het schoot natuurlijk niet op. Uiteindelijk presenteerden Van Hamel en Bello een oplossing: ik zou voorzitter van de directie van Prismant worden en Sytsma zou op termijn van een jaar vrijwillig en onbeschadigd vertrekken. We mochten er een kwartier over nadenken. Dat ik instemde kan men zich voorstellen, over een jaar zou ik immers alleen directeur zijn. Sytsma ging niet accoord en Van Hamel rapporteerde buiten ons om aan de RvT dat er geen oplossing bestond. (Daarmee schond hij de beroepscode van de ROA, die hem er terecht een paar jaar later voor berispte. Dat verhaal staat hier) Vervolgens stuurden Braaksma c.s. ons allebei de laan uit en stelden Fred Plukker als interim-directeur aan. Daarmee corrigeerden ze hun eigen aanvankelijke fout: Prismant had eindelijk één directeur zoals het van meet af aan had moeten hebben.

 

Uiteraard was ik zwaar aangeslagen. Na de top van mijn loopbaan in Gorcum was ik als gevierde held van de eerste transmurale fusie diep gevallen en stond binnen een halfjaar na mijn vertrek bij Rivas op straat. De rest is gauw verteld maar was zwaar om mee te maken: ik interimde wat tot ik in de herfst van 2000 Henk Bijker tegenkwam die vroeg of ik in Enschede lid van de RvB in het MST wilde worden. Dat is een ander verhaal. Sape Braaksma, de RvT-voorzitter en vormalige collega, heb ik nog een keer ontmoet in hetzelfde najaar. We lunchten ergens in Zwijndrecht aan het water. Ja, zei hij, bij nader inzien hadden we misschien toch anders moeten kiezen. Mosterd na de maaltijd, noem je dat. Atze Sytsma heb ik nooit meer teruggezien en dat betreur ik niet.

 

Nu, tien jaar later, is dat prachtige Prismant failliet aan het gaan. Na Fred Plukker kwam Michel Dutrée aan het bewind. Ik heb hem nog een keer opgezocht in dat dwaze nieuwe gebouw in de polder Papendrecht tussen verkeersplein Oudenrijn en het Merwedekanaal. Hij zetelde in een kale, inpandige design kamer. Ik schat dat dat in 2005 was. Het kil aandoende gebouw stond al voor een deel leeg. Wat Michel erover zei, zal ik niet herhalen. Dat moet hij zelf maar doen. Toen hij vertrok kwam de old soldier Van Montfort, inmiddels gepensionneerd bij Achmea, terug. Ik had hem en zijn medewerkers meer succes gegund en het zou me goed doen als Prismant de weg naar een nieuwe start weet te vinden. Medewerkers en oud-medewerkers reageren ondertussen op het nieuwsbericht bij Zorgvisie. Een oud-medewerker schrijft anoniem (waarom toch noemen mensen hun naam eigenlijk niet?):

 

"Vanuit een riant financiele positie bij de start van de fusie is het daarna snel bergafwaarts gegaan met de financiele reserves bij Prismant. Door ondermeer de bouw van een groot pand voor toekomstig gebruik van 450-500 medewerkers, het langdurig en in grote getale inhuren van externen, het onnodig ombouwen en aanpassen van goedlopende computersystemen en applicaties,outsourcing, het wegzetten (deels tegen hun zin) van een grote groep capabele medewerkers in een 58+ regeling, het afbouwen en onderbrengen van goed verdienende registraties bij concurrenten en de daarbij gepaard gaande reorganisatie en afkoopsommen. Dit alles onder een voorgaande directie en raad van commissarissen! Jammer jammer"

 

Een ander schrijft (helaas eveneens anoniem):

 

"Het is altijd een leuk bedrijf geweest met veel inzet en betrokkenheid, tot het moment dat de heer Dutrée zijn intrede deed. Met dataverzamelen had deze man niks. Zoals Tom Rouwens opmerkte, hij had geen interesse in de machinekamer. De afbouw van deze core business is de ondergang geworden voor veel oud medewerkers en misschien nu ook voor het bedrijf"

Terug naar boven

De geschiedenis van een huis dat er niet meer is

Hier begon ooit de oprijlaan van Het Hof van Andel. Eigenlijk eerder een afrijlaan.
Hier begon ooit de oprijlaan van Het Hof van Andel. Eigenlijk eerder een afrijlaan.

Over Het Hof van Andel

 

03-02-2010

 

Gisteren schreef ik (in Reislogboek 2010/1e helft) over de twee oude kolommen die ik tijdens een wandeling op de Hoge Maasdijk in Andel tegenkwam, tegenover de ingang van het bedrijfscomplex van De Heus (foto hiernaast en een andere hier) Inderdaad bleek het ooit de toegang tot de oprijlaan van een groot landhuis. Eerder een afrijlaan, zou ik zeggen, omdat hij de dijk af voert. Geen kasteel dus. Het heette Het Hof van Andel en ligt misschien op de plaats waar een eerder kasteel of een versterkte hoeve heeft gestaan. De (leen)Heren van Andel schijnen er niet in gewoond te hebben, maar in een landhuis ernaast, de Langenhof geheten. Daarvan is helemaal niets meer over. Wie hebben er dan wel in Het Hof gewoond? De oudste vermelding van het pand is uit een testament van 1572, waarin ene Jonker Jan Pieck, ambachtsheer tot Giessen, het vermaakt aan zijn minderjarige dochter Joncfrou Johanna Pieck. Het wordt daarin omschreven als: "het Hoff tot Andel, soo groot ende cleijn als daer gelegen is tot Andel, geldende des jaers hondert XX guldens, sonder sijn toebaet, mitten huijs, berch ofte schuere ende andere timmeragie daerop staende, voorts boomgaerden ende andere beteulingen, soe die selve aldaer tot Andel gelegen is"

In later tijden werd het in elk geval wel bewoond, ondermeer tot 1763 toen een Johannes Naijen en zijn vrouw eruit vertrokken en door ene Anthony Dermoeye Leemans in het begin van de 19e eeuw en ene Cornelis Jacobus van Andel (tussen 1881 en 1904) Het huis lijkt nog tot 1920 in zijn eigendom te zijn geweest. Dus ook tijdens de inkwartiering van troepen, die het pand tijdens Eerste Wereldoorlog bevolkten en mogelijk veruïneerden. Omstreeks 1937 werd het gesloopt.

  

Fraai is de hieronder afgebeelde fotoserie, die ik vond in een blogposting op de website Het Dorp Andel. Het is alsof je de geschiedenis van het pand in beelden ziet. Ook bij Joost de Kloe vind je er gegevens over, met name in een online artikel van hem in het genealogie-tijdschrift GTMWB dat ik voor de bovenstaande tekst gebruikte.

 

Het Hof in gelukkiger       Inkwartiering in Het Hof bij de mobilisatie,          Het Hof was daarna uitgewoond.

tijden, circa 1914            foto circa 1918                                                 Het werd rond 1937 gesloopt. Foto 1932

 

Je zou willen weten wie die vrouw is, die op de eerste foto op het balkon staat met een kind op de arm. Een meisje, zo te zien, ze draagt een zonnehoedje. Naast de vrouw staat een groter kind. Een jongetje, zou ik zeggen. 

Het personeel(?) zit onder het balkon. Was ze de vrouw des huizes of een dienstbode of een kindermeisje? Ogenschijnlijk was het een gelukkige tijd. Het was vast zomer, de gefotografeerden zijn licht gekleed. 

 

De Kloe veronderstelt in zijn artikel dat Het Hof na 1763 toen Naijen en zijn vrouw eruit vertrokken, misschien het grootste deel van de tijd verhuurd was of als buitenverblijf diende. Bracht de familie van de vrouw hier in Andel de zomer door? Het is bijna een eeuw geleden. Ze is allang dood, die vrouw, evenals de beide kinderen. Nog geen jaar later was Europa in een enorm slagveld veranderd. Nederland mobiliseerde zijn troepen en bleef er op het nippertje buiten. Hier in Andel bevuilden ingekwartierde troepen Het Hof. Tientallen soldaten stonden zich te verdringen op het balkon om maar op de foto te komen. Alles vergleden in de tijd, voorgoed onbereikbaar.

 

Terug naar boven

 

De Roos van Paracelsus

De Roos van Paracelsus. Kunstenaar onbekend
De Roos van Paracelsus. Kunstenaar onbekend

Een parabel van Jorge Luïs Borges

Vertaling: Barber van de Pol

 

22-01-2010

 

Op zijn werkplaats, die de twee kamers van het souterrain omvatte, vroeg Paracelsus zijn God, zijn onbepaalde God, iedere God, hem een leerling te sturen. Het liep tegen de avond. Het schaarse vuur in de stookplaats wierp onregelmatige schaduwen. Opstaan om de ijzeren lamp aan te steken was te veel inspanning. Paracelsus, afgetrokken van vermoeidheid, vergat zijn smeekbede. De nacht had de stoffige distilleertoestellen en de alchemistenoven uitgewist toen er op de deur werd geklopt. De man kwam slaperig overeind, beklom de korte wenteltrap en opende een van de vleugels. Een onbekende trad binnen. Ook hij was heel moe. Paracelsus wees hem een bank; de ander ging zitten en wachtte af. Een tijdlang wisselden zij geen woord. De meester was de eerste die sprak. "Ik herinner mij gezichten uit het Westen en gezichten uit het Oosten," zei hij, niet zonder zeker vertoon. "Het uwe herinner ik mij niet. Wie bent u en wat wilt u van mij?"
"Mijn naam is van geen belang," antwoordde de ander. "Drie dagen en drie nachten heb ik gelopen om uw huis te kunnen binnengaan. Ik wil uw leerling zijn. Hier is al wat ik bezit." Hij haalde een groflinnen zak te voorschijn en gooide hem leeg boven tafel. De vele munten waren van goud. Hij deed het met zijn rechterhand.

 

Paracelsus had hem zijn rug toegekeerd om de lamp aan te steken. Toen hij zich weer omdraaide merkte hij dat de linkerhand een roos vasthield. De roos maakte hem onrustig. Hij leunde achterover, drukte zijn vingertoppen tegen elkaar en zei: "U acht mij in staat de steen te bereiden die alle elementen omzet in goud en u brengt me goud. Het is niet goud wat ik zoek, en als het goud is wat u interesseert, zult u nooit mijn leerling zijn."
"Goud interesseert me niet,"
antwoordde de ander. "Deze munten zijn alleen een blijk van mijn bereidwilligheid om te werken. Ik wil dat u mij de Kunst leert. Ik wil aan uw zijde de weg afleggen die leidt naar de Steen."
Paracelsus zei, langzaam: "De weg is de Steen. Het vertrekpunt is de Steen. Als u deze woorden niet begrijpt, bent u nog niet begonnen te begrijpen. Iedere stap die u zult zetten is het eindpunt."
De ander keek hem achterdochtig aan. Hij zei op andere toon: "Is er dan een eindpunt?"
Paracelsus lachte. "Mijn lasteraars, die even talrijk als dom zijn, zeggen van niet en zij noemen mij een bedrieger. Ik geef ze geen gelijk, maar het is niet onmogelijk dat ik een dromer ben. Er is een Weg, dat weet ik."
Er viel een stilte, en de ander zei: "Ik ben bereid die met u af te leggen, al moeten we vele jaren gaan. Laat mij de woestijn doorsteken. Laat mij desnoods van verre het beloofde land zien, al staan de sterren me niet toe het te betreden. Voor ik de reis onderneem wil ik een bewijs."
"Wanneer?"
vroeg Paracelsus, onrustig.
"Nu meteen," zei de leerling, met plotselinge beslistheid. In het begin hadden zij Latijn gesproken; nu spraken zij Duits. De jongen stak de roos in de lucht. "Het heet," zei hij, "dat u een roos kunt verbranden en weer uit de as laten verrijzen, door middel van uw kunst. Laat mij getuige van dat wonder zijn. Dat vraag ik u, en daarna zal ik u mijn hele leven geven."
"U bent erg goedgelovig," zei de meester. "Ik heb geen behoefte aan goedgelovigheid; ik eis geloof."
De ander drong aan. "Juist omdat ik niet goedgelovig ben wil ik met mijn eigen ogen de vernietiging en herrijzenis van de roos aanschouwen."
Paracelsus had de roos gepakt en speelde er mee terwijl hij sprak. "U bent goedgelovig," zei hij. "U zegt dat ik in staat ben haar te vernietigen?"
"Niemand is niet in staat haar te vernietigen," zei de leerling.
"U vergist zich. Gelooft u soms dat iets kan worden teruggebracht tot het niets? Gelooft u dat de eerste Adam in het Paradijs ook maar een bloem of een grasspriet had kunnen vernietigen?"
"Wij zijn niet in het Paradijs," zei de jongen koppig. "Hier, onder de maan, is alles sterfelijk."
Paracelsus was gaan staan. "Op welke plek zijn we dan? Gelooft u dat God een plek kan scheppen die niet het Paradijs is? Gelooft u dat de Val iets anders is dan niet weten dat we in het Paradijs zijn?"
"Een roos kan verbranden," zei de leerling, uitdagend.
"Er is nog vuur in de stookplaats," zei Paracelsus. "Als u deze roos op de gloeiende resten gooide, zou u denken dat ze is vergaan en dat de as waarachtig is. Ik zeg u dat de roos eeuwig is en dat alleen haar aanzien kan veranderen. Ik zou aan een woord genoeg hebben om te maken dat u haar opnieuw zag."
"Aan een woord?" zei de leerling, bevreemd.
"De oven is uit en de distilleertoestellen zitten vol stof. Wat zou u doen om haar te laten herrijzen?"
Paracelsus keek hem verdrietig aan. "De oven is uit," beaamde hij, "en de distilleer- toestellen zitten vol stof. Op dit traject van mijn lange reis gebruik ik andere instrumenten."
"Ik waag het niet te vragen welke dat zijn," zei de ander, sluw of onderdanig.
"Ik heb het over het instrument dat God gebruikte voor het scheppen van de hemelen en de aarde en het onzichtbare Paradijs waarin wij zijn maar dat de erfzonde ons verhult. Ik heb het over het Woord dat de wetenschap van de Kabbala ons leert."
De leerling zei, koel: "Ik vraag u de gunst mij de verdwijning en verschijning van de roos te laten zien. Het interesseert me niet of u werkt met distilleertoestellen of met het Woord."
Paracelsus dacht na. Tenslotte zei hij: "Als ik het deed, zou u zeggen dat het gaat om schijn die u is opgelegd door de toverij van uw ogen. Het wonder zou u het geloof dat u zoekt niet geven. Laat dus de roos." De jongen keek hem aan, nog altijd achterdochtig. De meester verhief zijn stem en zei tegen hem: "Bovendien, wie bent u om het huis van een meester binnen te gaan en een wonder van hem te verlangen? Wat heeft u gepresteerd om een dergelijke gift te verdienen?"
Huiverend zei de ander terug: "Ik weet wel dat ik niets heb gepresteerd. Ik vraag u in naam van de vele jaren die ik in uw schaduw zal studeren mij de as en vervolgens de roos te laten zien. Verder zal ik u niets vragen. Ik zal geloven in de getuigenis van mijn ogen." Bruusk pakte hij de vleeskleurige roos die Paracelsus op de lessenaar had gelegd en wierp haar in de vlammen. De kleur ging verloren en er bleef alleen een beetje as over. Een oneindig ogenblik lang wachtte hij op de woorden en het wonder.

Paracelsus had geen spier vertrokken. Met vreemde eenvoud zei hij: "Alle artsen en alle apothekers in Bazel beweren dat ik een oplichter ben. Misschien hebben ze het bij het rechte eind. Daar is de as die de roos was en niet zal zijn."
De jongen voelde schaamte. Paracelsus was een charlatan of een ordinaire ziener en hij, een indringer, had zijn drempel overschreden en dwong hem nu om te bekennen dat zijn fameuze toverkunsten ijdel waren. Hij knielde, en zei tegen hem: "Mijn gedrag was onvergeeflijk. Ik ontbeerde het geloof dat de Heer van zijn dienaren eiste. Laat mij de as blijven zien. Ik kom terug als ik sterker ben en ik zal uw leerling zijn en aan het eind van de weg zal ik de roos zien." Hij sprak met ware hartstocht, maar die hartstocht was de piëteit die hem werd ingegeven door de oude meester, zo vereerd, zo bestookt, zo vermaard en derhalve zo loos. Wie was hij, Johannes Grisebach, om met heiligschennende hand te ontdekken dat achter het masker niemand zat? Hem de gouden munten laten zou een aalmoes zijn. Hij pakte ze bij het weggaan weer op.

Paracelsus vergezelde hem tot aan de trap en zei tegen hem dat hij altijd welkom was. Beiden wisten dat ze elkaar niet zouden weerzien. Paracelsus bleef alleen achter. Voor hij de lamp uitdeed en ging zitten in de afgeleefde stoel, goot hij het schamele hoopje as in zijn holle hand en sprak zachtjes een woord. De roos herrees.

 

Jorge Luïs Borges

(1986?)

 

Mijn commentaar: 

In zijn boek "Meta Math" (Vintage Books, 2006) citeert de Argentijns-Amerikaanse wiskundige en computerwetenschapper Gregory Chaitin alleen de geel gemarkeerde passages uit deze parabel. Waarom alleen die? Dat zou ik wel eens willen weten. Ze zijn voor mijn gevoel niet representatief voor de pointe van de parabel. Het wonder gebeurt immers pas als de jonge leerling is afgedropen en er geen getuige bij is. Wie was die leerling eigenlijk? Wie was deze Johannes Grisebach? De even hardnekkige als scherpzinnige student-in-spé die zo beschaamd ontdekte dat de grote geneesheer en wetenschapper Paracelsus niets anders dan een bedrieger was? "There was an Eduard Grisebach, a poet and the editor of the works of Schopenhauer who was known to Borges", lees ik op de website van ene Banabula, die het ook niet wist op te lossen. Borges noemt die naam eerst pas tegen het eind van de parabel alsof hij hem toen in de zin kwam. Verder googelen levert me geen verdere aanknopingspunten op.

Wat betekent de parabel? Borges hield altijd wel van het occulte en wat dies meer zij. Maar dat terzijde, laten we het verhaal gewoon nemen voor wat het vertelt. Paracelsus, in zijn tijd een nogal opgeblazen astroloog en chirurgijn met een enorm ego (Bombastus was een van zijn voornamen) ontvangt slaperig een potentiële leerling waar hij God om gevraagd had. Die vraagt hem om een kunstje (roos in vuur en weer uit as opwekken) als bewijs en Paracelsus omzeilt dat. Leerling gaat weg en P. wekt de roos op uit de as. Niemand ziet dat. Dat is alles. Was de leerling maar gebleven, maar dan had P. het wonder misschien niet verricht. Of wel? Enzovoorts. Regressie. Wij weten net als Borges dat een roos uit as opwekken niet kan. Het aardige is - en dat sluit aan bij de keus van (de geel gemarkeerde) citaten bij Chaitin - dat een woord genoeg is. Aha! Plato! Dat vind ik teleurstellend, er moet meer in zitten.

(Wordt vervolgd)

Terug naar boven

Over het magnetisme in "The Fluff"

De anatomie van de heliosfeer. Sinds dit plaatje werd gemaakt heeft Voyager 2 net als Voyager 1 inside de heliosfeer verlaten, Beiden vliegen nu door de laag erbuiten waar de zonnewind wordt afgeremd door de druk van interstellair gas. NASA  2005
De anatomie van de heliosfeer. Sinds dit plaatje werd gemaakt heeft Voyager 2 net als Voyager 1 inside de heliosfeer verlaten, Beiden vliegen nu door de laag erbuiten waar de zonnewind wordt afgeremd door de druk van interstellair gas. NASA 2005

Een ontdekking vlak voor Kerstmis 2009

 

25-12-2009

 

Het plaatje hiernaast is ondanks de Kerst geen kerstbal. In de jaren ´70 van de vorige eeuw werden de beide Voyager ruimtesondes kort na elkaar gelanceerd. In 1977 om precies te zijn. Er is nog steeds contact met deze sondes, die de verst verwijderde door de mens vervaardigde objecten in het heelal zijn. Nu zijn ze voorbij de baan van Pluto en op weg door de heliosfeer om de grenzen van het zonnestelsel (de heliopauze) te passeren. Ze zenden nog steeds - na meer dan 30 jaar! - gegevens door. En onlangs gaven ze een bijzondere ontdekking door, die vlak voor de kerst werd gepubliceerd in het decembernummer van Nature (zie het persbericht van NASA) Wat is het geval?

 

Ons zonnestelsel trekt al heel lang door een grote en zeer ijle interstellaire gaswolk, die bestaat uit waterstof- en heliumatomen en die een temperatuur heeft van maar liefst 6000° Celsius. De gaswolk heeft een doorsnede van 30 lichtjaren en wordt door de astronomen de Lokale Interstellaire Wolk genoemd ofwel The (local) Fluff. Mooie naam voor een griezelfilm. (Een mooi schematisch plaatje van de Fluff stond in 2002 op de website van APoD) De gaswolk kan niet de heliosfeer binnen dringen. De heliosfeer beschermt ons door zijn eigen magnetisme tegen dergelijke interstellaire gaswolken. Het probleem is dat de Fluff eigenlijk niet kan bestaan. Tien miljoen jaar geleden ontplofte namelijk een cluster supernova´s op zodanig korte afstand, dat de Fluff allang uiteen geslagen en verstrooid had moeten worden door de resulterende explosiewolk met temperaturen van meer dan een miljoen graden Celsius. "The Fluff is completely surrounded by this high-pressure supernova exhaust and should be crushed or dispersed by it" De beide Voyager ruimtesondes hebben nu laten zien dat de Fluff heel erg magnetisch is, dusdanig dat het magnetisch veld voldoende tegendruk biedt tegen de vernietiging. Dat had niemand gedacht.

 

Hoe de Fluff aan zijn magnetisme komt, wordt niet verteld in het persbericht. Misschien weet men dat niet. Hoe lang we al door die enorme gaswolk vliegen staat er ook niet in. Op Wikipedia vind ik een schatting dat we hem al zo´n 44.000 tot 150.000 jaar geleden binnen vlogen. Men schat dat we er over 10.000 - 20.000 jaar weer uit vliegen. In elk geval hebben we er dankzij de heliosfeer geen last van. De supernova´s hebben het leven op onze planeet ook niet vernietigd. Eigenlijk een mooi kerstverhaal. Je kunt hier niet verbaasd genoeg over zijn. Christenen willen dan graag zeggen dat zoveel toeval wijst op het bestaan van een god die ons beschermt. Dat is echter niet noodzakelijk, de Multiversum-hypothese geeft genoeg ruimte aan een dergelijk toeval om te maken dat het ergens een wereld (ons) overkomt. Wordt het raadsel daardoor kleiner? Nee, natuurlijk niet.

 

Het zojuist ontdekte magnetisme van de Fluff kan ook betekenen dat andere interstellaire wolken die ons zonnestelsel nog moet passeren, eveneens magnetisch zijn. Die drukken onze beschermende heliosfeer mogelijk verder in elkaar, waardoor meer kosmische straling de aarde zal treffen. En dat heeft weer enorme invloed op ons klimaat, overigens op termijnen van tien- tot honderduizenden jaren. Dat moge nog erg ver weg zijn. Feit is wel dat die Fluff en die andere gaswolken factoren in het aardse klimaat vormen, waar volgens mij nog geen enkel klimaatmodel rekening mee houdt. Wat ik overigens niet snap is dat de Voyager 1 zélf niet verbrandt, als hij na 2015 de Fluff binnen vliegt. 6000 graden Celsius, daar kan hij vast niet tegen. Of is de gaswolk daarvoor te ijl?

Terug naar boven

page loading