sailing-dulce.nl

Logboek 2014/1 Gorinchem

Gorinchem (116)

Wachten op de uitspraak in het gerechtsgebouw in Zwolle, met in het midden mijn advokaat Willemien Kastelein en naast haar de gemachtigde van Kingma
Wachten op de uitspraak in het gerechtsgebouw in Zwolle, met in het midden mijn advokaat Willemien Kastelein en naast haar de gemachtigde van Kingma

Vrijdag 10-01-2014

Wekker om kwart over zes. Buiten is het aardedonker. Mijn oude vriend Herman U. is stipt op tijd. Onderweg geen files. Door een vergissing rijden we de stad binnen over de Meppelerstraatweg. Hier heb ik vroeger gewoond, zeg ik, op van mijn 7e tot mijn 10e in een flat op nummer 22. het moet de voorste zijn. Dat klopt, we stoppen even voor een foto (die zet ik morgen op de site) Om half elf parkeren we de auto voor het kille, ongenaakbare gerechtsgebouw. Twee uur te vroeg, dat geeft tijd om rustig de binnenstadin te lopen en koffie met gebak te nuttigen in een koffiehuis.

 

Twaalf uur, we lopen terug. Ik ben gespannen. De uitspraak betekent veel voor me, ik stond nog nooit voor het medisch tuchtcollege en als het een maatregel oplegt zal dat als een ernstige smet op mijn blazoen voelen. Dit keer mag de camera mee door de veiligheidscontrôle. We melden ons bij de balie. RTV-Oost journalist Rob Vorkink komt me tegemoet. 'Zenuwachtig?', vraagt hij. 'Niet zo weinig.'

Mijn advokaat Willemien Kastelein is er ook. We gaan aan een tafel zitten en nemen door wat ik zal zeggen bij vrijspraak en bij een strafmaatregel (foto hiernaast) Kingma is er niet; Ramaker ook niet, maar die heeft nog nooit ergen zijn gezicht laten zien. Ruud vindt het beter om te duiken, het kan hem allemaal niet schelen en het waait wel weer over. En Kingma? Ik denk dat hij tegen een begering door de pers opziet. Verderop groepen de slachtoffers van Jansen Steur samen rond de letselschadespecialist Yme Drost, die hen hier vertegenwoordigt. Een paar van hen komen naar me toe om me de hand te drukken. Het is net alsof we reisgenoten zijn geworden, spelers in een absurd en kwaadaardig toneelstuk.

 

Om half één gaan de deuren van de zittingszaal open. Ans en Herman schuiven in een bank voor de toehoorders. Willemien beduidt me dat wij vooraan in de bank voor de verdediging moeten gaan zitten. In de lange bank ernaast nemen de klagers plaats met Drost aan het uiteinde. Een rijtje camera's staat achter me. Een bode kondigt het tuchtcollege aan, we hebben de neiging te gaan staan zoals bij een rechtbank maar dat hoeft hier niet. Voorzitter Alex Smit neemt plaats met naast hem de secretaris, een vrouw die ernstig en gereserveerd kijkt. Nu gaat het beginnen. De voorlopige culminatie van een affaire die nu al vijf jaar duurt. Of twintig jaar, als je vanaf het eerste disfunctioneren van de onzalige neuroloog telt.

 

De voorzitter gaat de hoofdlijnen van de drie uitspraken voorlezen. Eerst die van mij. Ik houd de adem in. Een paar keer kijkt Smit in mijn richting. De zinnen rijgen zich aaneen en ik heb geen enkel idee welke kant het opgaat. De geschiedenis, de klachten en mijn verweer slaat hij over. Nu verklaart hij namens het college de klagers in hun kachten ontvankelijk. Daar gaat onze eerste verdedigingslinie. Het (wel dan niet) handelen van een bestuurder heeft volgens het college wel een weerslag in de individuele patiëntezorg. Dat was onze tweede verdedigingslinie. Ook de verjaring geldt niet, behalve voor de klacht over JS' wetenschappelijk onderzoek. Dat was in de uitspraak van december over JS zelf ook al het geval. De derde linie valt dus ook. Dit gaat niet goed, denk ik. Naast me maakt Willemien ijverig notities. Ik kijk even om naar Ans, ze kijkt strak naar de voorzitter.

 

Dan zegt Smit dat de toetsing van mijn handelen als bestuurder moet plaatsvinden in het licht van wat me bekend was of bekend kon zijn. Hij stelt dat er tot mei 2003 geen aanleiding voor mij bestond om in te grijpen. Ik heradem een beetje, misschien komt het toch goed. Maar nu gaat hij zeggen of ik actie had moeten nemen toen JS Dormicum van de afgedeling wegnam. Gespannen hang ik aan de lippen van Smit, die zegt dat het aannemelijk is dat er op dat tijdstip nog geen bewijs was van een verslavingsprobleem bij JS. Dat was er wel in november 2013 wel: de vervalste recepten. Toen heb ik meteen actie ondernomen en JS gedwongen zich ziek te melden en hem de toegang tot het ziekenhuis ontzegt. Het gaat de goede kant op! Smit zegt dat het in die tijd gebruikelijk was om een specialist met een regeling te late vertrekken. Hij acht het verwijt van Lemstra II dat ik ernstig tekort ben geschoten, onjuist. Ik ga wat rechterop zitten.

 

'Het staat vast dat verweerder contact heeft gehad met de Inspectie', leest Smit voor. Dat punt is binnen, denk ik. 'Het gaat goed!', fluister ik tegen Willemien. Ze knikt. Smit leest verder en zegt dat ik de foute inlichtingen van Ramaker aan de Inspectie heb gecorrigeerd. Het staat ook vast dat ik contact heb gehad met het Openbaar Ministerie. Mooi! Daar zal het OM nog een aardige dobber aan hebben in een eventuele strafzaak. Dan komt de conclusie: 'Uit al het voorgaande volgt dat de klacht, voor zover niet verjaard, in alle onderdelen ongegrond is en moet worden afgewezen.'Een golf van vreugde schiet door me heen. Op het gezicht van de overigens voortdurend streng kijkende secretaris zie een kort zweem van een glimlach, als ze me aankijkt. Willemien en ik geven elkaar een hand. 'Wees niet al te vrolijk', zegt ze. Smit gaat intussen verder met de uitspraken over Ramaker, die een berisping krijgt voor het vals voorlichten van de Inspectie, en Kingma, die op het nippertje geen maatregel krijgt opgelegd.

 

Smit pakt zijn papieren en verlaat de zaal, gevolgd door mevouw de secretaris. Drost komt naar me toe en feliciteert me. Zijn cliënten kijken triest en praten met elkaar. Ans kust me, Herman omarmt me. Op weg naar de uitgang zie ik het echtpaar Damink. 'Wij zijn niet blij, maar dat begrijpt u wel', zegt Ineke Damink. Zeker begrijp ik dat, ze staan nu met lege handen. 'Toch feliciteer ik u', zegt ze. Dan komt de pers. Rob Vorkink voor RTV Oost, het ANP en nog een krant waarvan ik de naam niet versta. Ik zeg wat ik voel, dat me recht gedaan is, dat ik erg opgelucht ben en dat ik compassie voel voor de slachtoffers. Voor hen is het niet voorbij. Willemien luistert kritisch, maar ze vindt het in orde. Dan is het voorbij. We halen thee en gaan even zitten. Drost komt weer langs. We gaan in hoger beroep, zegt hij. Het is dus nog niet voorbij voor mij. 'So be it', zeg ik tegen Drost; het kan me op dit moment even niet schelen. Bij de grote trap naar beneden komt een dame naar me toe, een van de slachtoffers. ook zij feliciteert me. 'Ik ben degeen die een aantal jaren geleden met u een email-wisseling hebt gehad'. Dat herinner ik me nog goed, we voeren toen in de Zwarte Zee, geloof ik en we waren het uiteindelijk niet eens maar er was wel een dialoog waarin we elkaar verstonden. 'Ik wil u even zeggen dat ik het niet eens ben met het instellen van hoger beroep', zegt ze. 'Dat wilde ik u graag laten weten.'

 

Tijdens de terugrit feliciteren familieleden en vrienden me per telefoon, per berichten en per email. Handig, zo'n smartphone. Nu pas valt me op hoe een stralende dag het eigenlijk is. Een vlucht trekvogels (eenden? ganzen?) trekt in V-formatie over naar het noorden. Die denken dat het lente is. Net voor de dagelijkse file passeren we Utrecht. Thuis scannen we kranten en de nieuwsberichten (hier en hier wat beelden) Nog steeds telefoontjes en berichten, ook van oud-ziekenhuiscollega's. Wat leefden veel mensen mee waarvan ik het niet wist! 'We gaan naar de Griek', zeg ik. Herman wil echter naar huis, dus 's avonds zitten we met zijn tweeën op ons vaste plekje achterin, bij het grote raam dat op de haven en de Appeldijk uitkijkt. Later thuis komen onze buren Wiger & Arina langs om het te vieren. We praten over de zaak. Velen hebben me gezegd dat het nu moeilijker is voor het Openbaar Ministerie om een strafzaak te beginnen tegen ons als ex-bestuurders. Ik hoop het. Terug naar boven