sailing-dulce.nl

Logboek 2008/1 (Lagos>Corsica)

Cargèse

Ans zont op het voordek. Aan de horizon zie je in de verte de Őles Sanguinaires, de 'bloeddorstige eilanden'.
Ans zont op het voordek. Aan de horizon zie je in de verte de Őles Sanguinaires, de 'bloeddorstige eilanden'.

Dinsdag 24-06-2008

Een stralende, warme en windloze dag. In de chandlery op de kade koop ik zeekaarten van Elba, Straat Bonifacio en de eilandengroepen vlak boven Sardinië. Daarna tanken we vol en om tien uur motoren we langs de kust de Golf van Ajaccio uit in de richting van de Îles Sanguinaires, de "bloeddorstige eilanden" Ans ligt op het voordek te zonnen (zie bijgaande foto en hier) Ik snap niet hoe ze het uit kan houden. Er loopt een nauwe passage tussen het noordwestelijkst eilandje en de Pointe de la Parata door, de Passe des Sanguinaires. De diepte is daar slechts 6 - 7 meter. De passage wordt afgeraden bij harde aanlandige wind en zeegang. Dat je daar inderdaad niet mee spotten, getuigt het witte wrak van een catamaran dat even verderop tegen de rotsen van de kaap ligt. Bovenop de kaap staat een oude Genuese wachttoren (foto hier) Toeristen klimmen langs steile paadjes ernaartoe, hun bussen staan een heel eind terug bij een restaurant geparkeerd. Ik kijk op de dieptemeter: 5,2 meter onder de kiel (dus exclusief onze eigen diepgang van 2 meter) We ronden de kaap, laten de Bloeddorstige Eilanden achter ons (foto hier) en varen over een spiegelgladdee zee naar het noorden. De kust is spectaculair, ruig met diepe spelonken en kleine baaien tussen hoge rotskliffen. Daarachter beboste bergen en daar weer achter steeds hogere bergen, kaal en sommige nog met sneeuwvelden op de hellingen. We zien een paar fraaie ankerbaaien. Verderop is de volgende kaap, Cap de Feno, met opnieuw de ruïne van een oude wachttoren. In tegenstelling tot de eerdere kaap is dit een volledig verlaten plek. Het hoge, smalle muurrestant aan de zuidkant geeft de toren een vreemd, luguber aanzien. "In certain lights when approaching from the south, the ruined tower has the appearance of a seated cat", zegt de pilot van John Marchment erover. Na de kaap steken we de 8 mijl brede Baai van Sagone over in de richting van onze bestemming, de kleine haven van Cargèse. Hoe meer we naderen, hoe harder de wind van voren inkomt. Een merkwaardige mengeling van het "kaapeffect" van Kaap Puntiglione en valwinden over de berg waaronder het haventje ligt. Om 14.00 uur zijn we er. Binnen krijgen we een plaatsje "bow to" aan de kade van de golfbreker. Het ziet er leuk en vredig uit en doet ons denken aan het haventje van Hammerhavn op het Deense eiland Bornholm in de Oostzee, waar we in de zomer van 2005 een paar dagen lagen. Hij tempert de hitte aangenaam, die wind die van de berg valt waarop het dorpje Cargèse ligt te suffen. Er is zelfs een gratis WiFi-netwerk, dus eindelijk weer de luxe van Internet aan boord. We besluiten hier een paar dagen te blijven, voor we verder varen naar Calvi in het noorden.

 

Vanuit de kuip kijken we omhoog naar het dorp. Rechts ligt een kerkhof tegen de berghelling met veel bloemen. Aan weerszijden van een kleine, groene vallei met een paar statige cypressen staan, tegenover ons, twee kerken, een katholieke en een Grieks-orthodoxe (zie foto hier) Om 18.00 uur luiden ze hun klok, de een na de ander. Daar zit natuurlijk een verhaal achter. In deel 2 van Leonard van Veldhoven´s "Scheepsjounaal van de Existence" staat het niet helemaal goed. In 1676, toen de stadstaat Genua over Corsica heerste, vroeg een groep Grieken in de Golf van Colokythia op de Peloponesos Genua om hulp vanwege de tyrranie van de Ottomaanse Turken. Dat was niet het enige, de Griekse familie-clans knokten ook onderling nogal veel. De senaat van Genua, dat zélf kampte met de eeuwige opstanden van de Corsicaanse bevolking, dacht slim te zijn en huisvestte als tegenwicht 730 Grieken van één familie-clan in het gebied ten oosten van het huidige Cargèse. Al snel ontstonden er naijver en conflicten tussen hen en de Corsicanen, die er in 1731 in resulteerden dat de Grieken werden verjaagd en hun dorpen verwoest. Ze zochten hun toevlucht in Ajaccio. In 1768, toen Corsica in Franse handen was, bouwden die een nieuw dorp voor de Grieken, het huidige Cargèse, inclusief een orthodoxe en een katholieke kerk. Kennelijk had het succes, want de Grieken vermengden zich met de lokale bevolking en niets onderscheidt hen nog van de oorspronkelijke Corsicanen. We verwachten daarom niet er nog een Grieks restaurant te vinden, als we morgen een kijkje gaan nemen. Toch opvallend, dat het de Fransen lukte en Genua niet... Terug naar boven